Ford in de Formule 1 - Een erfenis van uitersten

zaterdag, 24 januari 2026 (16:20) - Racingnews365.nl

In dit artikel:

Ford keert terug in de Formule 1 via een samenwerking met Red Bull Powertrains, maar de Amerikaanse autofabrikant heeft al een lange, glansrijke en wisselvallige geschiedenis in de sport die bijna veertig jaar beslaat.

De echte doorbraak kwam in 1967, toen Ford samen met Cosworth de DFV‑motor (3,0 liter V8) introduceerde tijdens de Grand Prix van Nederland op Zandvoort. Ontworpen door Mike Costin en Keith Duckworth, en gesteund in Detroit dankzij PR‑man Walter Hayes en Lotus‑baas Colin Chapman, was de DFV technisch vernieuwend: licht, krachtig (circa 400 pk), vier kleppen per cilinder en kon als dragend deel van het chassis worden toegepast. De motor won direct met Jim Clark en legde de basis voor langdurige dominantie.

Gedurende de late jaren ’60 en het grootste deel van de jaren ’70 domineerden DFV‑aangedreven teams het wereldkampioenschap. Coureurs als Graham Hill, Jackie Stewart, Jochen Rindt, Emerson Fittipaldi en later James Hunt, Mario Andretti en Keke Rosberg pakten titels met Ford‑motoren. De DFV verscheen in totaal in 237 Grands Prix en was goed voor 155 overwinningen; in 1974 draaide vrijwel het hele veld met een DFV.

De opmars werd echter verstoord door de turborevolutie vanaf 1983: Renault, BMW en Honda ontwikkelden krachtigere turbo‑motoren. Ford probeerde te antwoorden met de evolutionaire DFY en later met de eigen GBA V6‑turbo (1986), maar die konden niet op tegen de concurrenten. Na het verbod op turbo’s vanaf 1989 concentreerde Ford zich opnieuw op atmosferische eenheden (DFR, HB) en boekte in de late jaren ’80 en vroege jaren ’90 weer succes: onder andere raceoverwinningen en uiteindelijk het wereldkampioenschap voor Michael Schumacher in 1994 met de Benetton‑Ford (EC Zetec‑R).

Daarna verschoof het zwaartepunt: Benetton/Schumacher schakelde over op Renault‑motoren, waarna Ford voornamelijk kleinere teams leverde. Ford kocht eind jaren ’90 Stewart en vormde Jaguar Racing, maar spectaculaire resultaten bleven uit; in 2004 werd het fabrieksteam verkocht aan Red Bull. Als motorleverancier leverde Ford een laatste belangrijke zege in 2003 (Giancarlo Fisichella, GP Brazilië). In totaal registreerden Ford‑aangedreven auto’s in 567 Grands Prix 176 overwinningen, 139 polepositions; dertien rijders pakten hun wereldtitel met Ford‑kracht en tien teams wonnen de constructeurs‑titel.

Het Ford‑verhaal in de F1 illustreert hoe technologische sprongen (zoals de DFV en later de turbo’s) en strategische keuzes het verschil tussen langdurige dominantie en terugval bepalen. De recente samenwerking met Red Bull Powertrains markeert een nieuwe poging van Ford om aan te haken bij een topteam in een tijd waarin hybrides en regelgeving opnieuw de balans in de koningsklasse beïnvloeden.